Ga direct naar de inhoud

Kennisbank

NLP technieken die je dagelijks gebruikt

NLP is geen magie. Het is een verzameling technieken die je bewust maakt van hoe jij denkt, praat en reageert. Hieronder vind je de belangrijkste technieken uit onze programma’s. Elke techniek oefen je 30 dagen, vijf minuten per dag.

Technieken uit het basisprogramma

Deze twintig technieken vormen het fundament. Je leert ze in het basisprogramma.

Feit en verhaal uit elkaar trekken

Je zet een moment van spanning op pauze en scheidt de kale feiten van het verhaal dat je er zelf bij bedacht.

Waar: Overal waar je hartslag omhoog schiet: een appje, een opmerking, een blik, een deadline.

Eén vooronderstelling als bril opzetten

Je kiest bij wrijving één van de 8 NLP-vooronderstellingen, doet alsof die waar is en past daar je eigen reactie op aan.

Waar: Elk moment van irritatie of onbegrip: thuis, op het werk, in de app-groep.

De kettingreactie ontmaskeren

Je loopt bij een sterke reactie de vijf stappen terug: wat gebeurde er, wat liet je weg of vervormde je, welke film draaide je, welk gevoel en gedrag kwam eruit — en welk resultaat leverde dat op.

Waar: Bij elk moment van stress of irritatie, klein of groot.

De vier pijlers langslopen

Voor en tijdens een gesprek check je vier dingen: weet ik wat ik wil, kijk en luister ik scherp, ben ik flexibel, en zet ik een concrete stap.

Waar: Elk gesprek dat ergens toe moet leiden: overleg, feedback, thuis, telefoon.

Pacing en leading

Je sluit eerst aan bij het tempo, de toon en de houding van de ander (pacing) en verandert daarna zelf iets, zodat de ander meeveert (leading).

Waar: Elk gesprek: aan de telefoon, in overleg, thuis aan tafel.

Kijken naar wat verandert

Je vergelijkt twee momenten bij dezelfde persoon (ontspannen onderwerp tegenover spannend onderwerp) en let puur op de verandering in houding, ademhaling en gezichtskleur.

Waar: Elk gesprek waarin je wilt weten hoe iemand er écht bij zit, niet alleen wat die zegt.

Antwoorden in dezelfde zintuiglijke taal

Je luistert naar de werkwoorden van de ander (zien, horen, voelen of feiten) en antwoordt bewust in diezelfde taal.

Waar: Elk gesprek waarin het kwartje niet valt: uitleg, verkoop, feedback, mail.

De eerste oogbeweging lezen

Je stelt een vraag en let puur op de eerste oogbeweging: omhoog is een beeld, opzij is geluid, omlaag is gevoel of innerlijke dialoog.

Waar: Elk gesprek waarin je wilt weten hoe iemand zijn informatie ophaalt.

Vragen die de mist optrekken

Je hoort weglatingen, vervormingen en generalisaties in wat iemand zegt en stelt er één rustige vraag over.

Waar: Elk gesprek waarin het vaag blijft — ook je eigen gedachten.

Bewust vaag praten en dan zwijgen

Je zegt bewust iets open en vaag in plaats van te sturen, en laat daarna een stilte vallen zodat de ander zelf invult.

Waar: Gesprekken waarin iemand vastzit in stress, details of twijfel en doorduwen niet werkt.

Je eigen anker zetten

Je haalt een sterk gevoel levendig terug en koppelt er op de piek een uniek fysiek gebaar aan, zodat je dat gevoel later kunt aanzetten.

Waar: Thuis om te bouwen, daarna vlak voor spannende momenten.

Aan de knoppen draaien

Je verandert niet de gebeurtenis, maar de instellingen van je innerlijke beeld, geluid en gevoel — en test één knop tegelijk.

Waar: Overal waar een herinnering of gedachte je stemming omzet.

In het beeld stappen of eruit stappen

Je kiest bewust of je een herinnering van binnenuit beleeft (geassocieerd) of ernaar kijkt als een film op een scherm (gedissocieerd).

Waar: Overal waar een herinnering te veel of juist te weinig gevoel geeft.

Een andere betekenis kiezen die ook waar is

Je houdt de feiten hetzelfde en kiest een andere betekenis, context of positieve bedoeling die je wél in beweging zet.

Waar: Bij tegenslag, kritiek, afwijzing of gedrag van anderen dat je irriteert.

Van vage wens naar scherp doel

Je loopt zes punten na tot je doel positief, van jou, meetbaar en concreet is, inclusief de winst van je oude gedrag en je eerste stap.

Waar: Elk voornemen, doel of plan dat blijft hangen.

Check, doe, check opnieuw, stop

Je bepaalt vooraf je harde eindpunt, doet één actie, checkt of het verschil weg is en stopt of wisselt van actie.

Waar: Elke taak of gesprek waarin je blijft doorgaan zonder dat er iets verandert.

Wisselen van plek: jij, de ander, de waarnemer

Je loopt bij een stroeve situatie fysiek drie plekken af: je eigen kant, de kant van de ander en de zijlijn.

Waar: Elk conflict, lastig gesprek of gesprek dat je nog moet voeren.

De Swish

Je zet het beeld van je oude gewoonte levensgroot voor je, plakt een klein beeld van de gewenste jij in de hoek en laat dat razendsnel omwisselen.

Waar: Thuis, vlak nadat je de gewoonte herkente. Zes herhalingen per ronde.

Je tijdlijn aflopen

Je wijst aan waar je verleden en toekomst in de ruimte liggen, schuift oude ballast naar achteren en zet je doel op een concrete datum vóór je.

Waar: Thuis of op een rustige plek waar je een paar meter kunt lopen.

Twee kanten op je handen leggen

Je geeft de twee vechtende kanten in jezelf een naam, legt ze op je handen, vraagt door tot je de gedeelde kern vindt en brengt je handen samen.

Waar: Bij twijfel, uitstel of innerlijk getouwtrek: op een rustige plek, vijf tot tien minuten.

Technieken uit het verdiepingsprogramma

Deze negen technieken gaan dieper. Je leert ze in het verdiepingsprogramma, na de basis.

Je waarden paarsgewijs vergelijken

Je haalt je waarden voor één levensgebied boven water, vergelijkt ze twee aan twee met een scherpe of/of-vraag en zoekt waar je top 2 in de praktijk botst.

Waar: Aan tafel, per levensgebied: werk, relatie of leven.

Praten in het denkniveau van de ander

Je hoort aan iemands sleutelwoorden op welk denkniveau hij zit en stemt je taal daarop af voordat je iets probeert te veranderen.

Waar: Overleg, verkoopgesprek, thuis — overal waar je iets wilt laten landen.

Het juiste niveau kiezen

Je bepaalt op welke laag je probleem echt zit — omgeving, gedrag, vaardigheid, overtuiging, identiteit of zingeving — en pakt het dáár aan.

Waar: Bij elk plan dat steeds stukloopt of elke verandering die niet beklijft.

Een vaste gedachte bijstellen

Je schrijft de gedachte die je remt letterlijk op, zoekt drie momenten waarop hij niet klopte, bouwt een geloofwaardige tussenzin en bewijst die met actie.

Waar: Aan tafel, en daarna in de situaties waar die gedachte je remt.

Eén vraag die het slot eraf klikt

Je vangt de vaste koppeling "als ik X doe, gebeurt Y", stelt één vraag die een ander kader opent en laat daarna een stilte vallen.

Waar: Coachgesprekken, overleg, en je eigen hoofd.

De voorkeursknop van de ander gebruiken

Je hoort welke van de zes voorkeursstanden iemand aanzet en gebruikt precies die woorden terug.

Waar: Overleg, verkoop, mail en thuis.

De succesformule van een ander kopiëren

Je kiest één specifieke vaardigheid van iemand die er goed in is, ontdekt het zichtbare gedrag én de interne stap, en probeert het eerst exact na te doen.

Waar: Op je werk, thuis, in gesprekken — overal waar iemand iets doet wat jij ook wilt kunnen.

Invloed zonder direct advies

Je vertaalt een vastgelopen situatie naar een andere wereld, vertelt hem in zachte taal en laat de ander zelf de link leggen.

Waar: Coachgesprekken, teamoverleg, lastige feedbackmomenten.

Systemisch kijken

Je toetst een terugkerend probleem aan de drie basisregels — plek, volgorde en balans — en doet één kleine ingreep.

Waar: Team, gezin, vereniging, elke groep waar hetzelfde gedoe terugkomt.

Wil je een techniek eigen maken?

Kennis verandert je gedrag niet. Herhaling wel. Kies een programma en oefen één techniek dertig dagen lang, vijf minuten per dag.