Kom je een woord tegen in een les of op de site dat je niet kent? Zoek het hier op. Elke term krijgt een korte uitleg en een voorbeeld waar je het gebruikt.
71 termen
A
Aan de knoppen draaien
Basisprogramma
Je verandert niet de gebeurtenis, maar de instellingen van je innerlijke beeld, geluid en gevoel — en test één knop tegelijk.
Waar je het gebruikt: Overal waar een herinnering of gedachte je stemming omzet.
Een gevoel koppelen aan een klein signaal, zodat je het gevoel later terugroept.
Je knijpt in je duim op het moment dat je je rustig voelt. Doe je dat vaker, dan gaat dat kneepje het gevoel oproepen. Zo krijg je grip op je bui vlak voor een gesprek.
Antwoorden in dezelfde zintuiglijke taal
Basisprogramma
Je luistert naar de werkwoorden van de ander (zien, horen, voelen of feiten) en antwoordt bewust in diezelfde taal.
Waar je het gebruikt: Elk gesprek waarin het kwartje niet valt: uitleg, verkoop, feedback, mail.
Groter of kleiner denken over hetzelfde onderwerp.
Omhoog chunken is vragen: waar gaat dit eigenlijk over? Omlaag chunken is vragen: wat betekent dat concreet, morgen om negen uur? Handig als een gesprek vastloopt.
Congruentie
Termen uit de lessen
Je woorden, je stem en je houding vertellen hetzelfde verhaal.
Iemand zegt ja en schudt licht nee. Dat voelt scheef. Ben je congruent, dan geloven mensen je sneller.
D
Dagopdracht
NLP Habits-woorden
De opdracht van vandaag in je habittracker.
Altijd concreet en klein. Eén gesprek, één vraag, één moment. De theorie staat in de les, het doen zit hier.
De eerste oogbeweging lezen
Basisprogramma
Je stelt een vraag en let puur op de eerste oogbeweging: omhoog is een beeld, opzij is geluid, omlaag is gevoel of innerlijke dialoog.
Waar je het gebruikt: Elk gesprek waarin je wilt weten hoe iemand zijn informatie ophaalt.
Je loopt bij een sterke reactie de vijf stappen terug: wat gebeurde er, wat liet je weg of vervormde je, welke film draaide je, welk gevoel en gedrag kwam eruit — en welk resultaat leverde dat op.
Waar je het gebruikt: Bij elk moment van stress of irritatie, klein of groot.
Je kiest één specifieke vaardigheid van iemand die er goed in is, ontdekt het zichtbare gedrag én de interne stap, en probeert het eerst exact na te doen.
Waar je het gebruikt: Op je werk, thuis, in gesprekken — overal waar iemand iets doet wat jij ook wilt kunnen.
Je schrijft de gedachte die je remt letterlijk op, zoekt drie momenten waarop hij niet klopte, bouwt een geloofwaardige tussenzin en bewijst die met actie.
Waar je het gebruikt: Aan tafel, en daarna in de situaties waar die gedachte je remt.
Je haalt je waarden voor één levensgebied boven water, vergelijkt ze twee aan twee met een scherpe of/of-vraag en zoekt waar je top 2 in de praktijk botst.
Waar je het gebruikt: Aan tafel, per levensgebied: werk, relatie of leven.
Je vergelijkt twee momenten bij dezelfde persoon (ontspannen onderwerp tegenover spannend onderwerp) en let puur op de verandering in houding, ademhaling en gezichtskleur.
Waar je het gebruikt: Elk gesprek waarin je wilt weten hoe iemand er écht bij zit, niet alleen wat die zegt.
De ander meenemen naar een ander tempo of een andere stemming.
Werkt pas als je eerst gepacet hebt. Je verlaagt je tempo een beetje, de ander volgt vaak vanzelf.
Les
NLP Habits-woorden
De theorie en de reflectie bij één techniek.
Je leest, je denkt na en je vinkt de les af. Het oefenen zelf doe je in de tracker.
Logische niveaus
Termen uit de lessen
Zes lagen waarop een probleem kan spelen, van omgeving tot identiteit.
Omgeving, gedrag, vaardigheden, overtuigingen, identiteit en zingeving. Een probleem op het niveau van overtuiging los je zelden op met een nieuwe agenda.
M
Meta-model
Termen uit de lessen
Een set vragen die vage taal weer concreet maakt.
Iemand zegt: "Het gaat niet goed." Jij vraagt: wat precies, met wie, vergeleken waarmee? Zo haal je het echte verhaal boven.
Metaprogramma
Termen uit de lessen
Het vaste filter waarmee iemand informatie selecteert.
De een gaat op doelen af, de ander vermijdt problemen. De een wil het grote plaatje, de ander de details. Herken je het filter, dan sluit je makkelijker aan.
Milton-model
Termen uit de lessen
Bewust vaag praten, zodat de ander er zijn eigen betekenis in legt.
Het omgekeerde van het meta-model. Je gebruikt het om iemand rustig te maken of om ruimte te geven bij een idee.
Mini-test
NLP Habits-woorden
Een korte gratis test die laat zien waar jij nu staat.
Je krijgt de uitslag op het scherm en een uitgebreidere toelichting per e-mail.
Module
NLP Habits-woorden
Een groepje lessen rond hetzelfde thema.
Je werkt een module van boven naar beneden door. Elke les heeft een eigen tracker.
N
Nominalisatie
Termen uit de lessen
Een werkwoord dat een zelfstandig naamwoord is geworden.
"Er is geen communicatie." Communicatie kun je niet in een kruiwagen leggen. Vraag door: wie communiceert wat niet, tegen wie?
O
Outcome
Termen uit de lessen
Een doel dat concreet, positief en van jou is.
Niet "minder stress", maar "ik loop om half zes de deur uit". Je weet dan meteen of het gelukt is.
P
Pacen
Termen uit de lessen
Aansluiten bij het tempo en de taal van de ander.
Praat iemand rustig, dan zak je mee. Je bootst niet na, je sluit aan. Daarna kun je leiden.
Pacing en leading
Basisprogramma
Je sluit eerst aan bij het tempo, de toon en de houding van de ander (pacing) en verandert daarna zelf iets, zodat de ander meeveert (leading).
Waar je het gebruikt: Elk gesprek: aan de telefoon, in overleg, thuis aan tafel.
De vijf zintuigen waarmee je informatie binnenhaalt.
Visueel, auditief, kinesthetisch, olfactorisch en gustatorisch: zien, horen, voelen, ruiken en proeven. De meeste mensen hebben een voorkeur voor één of twee.
Van vage wens naar scherp doel
Basisprogramma
Je loopt zes punten na tot je doel positief, van jou, meetbaar en concreet is, inclusief de winst van je oude gedrag en je eerste stap.
Waar je het gebruikt: Elk voornemen, doel of plan dat blijft hangen.