Iemand zegt: "Het gaat niet goed op mijn werk." Je knikt. Je denkt dat je het snapt. Maar je weet nog niets.
Zo praten mensen. We laten weg, we maken het groter dan het is en we bouwen aannames in. Het meta-model is niets anders dan een setje vragen waarmee je de mist laat optrekken.
Waarom je dit wilt kunnen
- Je lost het echte probleem op, niet je eigen interpretatie ervan.
- Je hoeft minder te raden in gesprekken.
- Je merkt je eigen vage taal op. Dat is vaak de grootste winst.
De drie patronen
1. Weglaten. Er mist informatie. - "Ik ben er klaar mee." → Waarmee precies? - "Het werkt niet." → Wat werkt niet, wanneer? - "Ik ben slechter geworden." → Slechter dan wie of wat?
2. Te groot maken. Een uitzondering wordt een wet. - "Niemand luistert naar me." → Niemand? Wie luisterde er wel? - "Ik kan dat niet." → Wat houdt je tegen? - "Zo doen we dat altijd." → Wat gebeurt er als je het één keer anders doet?
3. Vervormen. Er wordt een verband gelegd dat er niet hoeft te zijn. - "Hij vindt mij niet goed genoeg." → Hoe weet je dat? - "Als ik dit zeg, wordt ze boos." → Hoe zorgt dat zeggen precies voor die boosheid? - "Vergaderingen zijn zinloos." → Voor wie, in welke situatie?
Nog drie die je vandaag kunt gebruiken
- "Ik moet dit doen." → Wat gebeurt er als je het niet doet?
- "Dat is beter." → Beter waarvoor, gemeten waaraan?
- "Ze zijn tegen me." → Wie is "ze", en wat deden ze precies?
Waar het vaak misgaat
Je schiet door. Vijf vragen achter elkaar voelt als een kruisverhoor en de ander klapt dicht. Vuistregel: één vraag, dan luisteren, dan samenvatten. Stel de vraag zacht: "Mag ik iets vragen om het scherp te krijgen?"
Tweede valkuil: je gebruikt het alleen bij anderen. Richt het eerst op jezelf. Schrijf op wat je vanochtend dacht en zet er een vraag onder.
Doe dit vandaag
Kies één gesprek. Stel er precies drie scherpe vragen in. Schrijf achteraf op wat je te horen kreeg dat je anders nooit had geweten.
In de Practitioner-training oefen je dit stap voor stap, met opdrachten per dag.



